Wimsalabim

Op de fiets van Alaska naar Vuurland

Carretera Austral

Posted on | april 26, 2015 | No Comments

Dat is de naam die in Chili aan Ruta 7 is gegeven. Letterlijk vertaald betekent het de zuidelijke weg. De weg is 1240 kilometer lang en loopt van Puerto Montt naar Villa O’Higgins. De constructie is in 1976 gestart onder het regime van dictator Pinochet. Twaalf jaar later is de weg geopend. Het laatste deel naar Villa O’Higgings is in 2000 afgerond. De weg loopt door onherbergzaam en dunbevolkt gebied. Met dichte bossen, fjorden, gletsjers, meren en steile bergen. De dorpen aan de route waren voorheen vaak alleen bereikbaar vanuit Argentinië. De hele route telt drie veerdiensten. Het is de bedoeling om de weg door te trekken naar Puerto Natales. Een traject van bijna duizend kilometer met negen veerdiensten.

De Carretera Austral is een begrip onder fietsers. Fietsers komen van heinde en verre om deze weg te mogen fietsen. Ik verwacht zo nu en dan ook gezelschap onderweg. Ondanks dat het seizoen nog jong is. Ik verlaat Argentinië. Bij Futaleufú steek ik de grens over. Nadat ik bij de douane mijn banaan heb opgegeten en een restant honing in de daarvoor bestemde afvalcontainer heb gedeponeerd. Dat mag Chili niet in. Het land is nog vrij van fruitvliegjes en dat wil men graag zo houden. Ik ben al diep onder de indruk voor ik de Carretera Austral überhaupt heb gezien. Mijn aanrijroute is wonderschoon. Strakblauwe meren en bergen met witte toppen op de achtergrond. Tussen steile bergwanden daal ik af langs de Rio Grande. Ik kampeer wild langs dezelfde rivier. Tussen de vertrouwde gele struiken. Een skinny dip in het koude water kan ik niet weerstaan.

Bij Villa St Lucia is een minimarket. Op een picknickbank voor de winkel nuttig ik mijn lunch. In een overheerlijk zonnetje. Tent en slaapzak hang ik uit. Nog nat van de condens. Een hoge luchtvochtigheid hier. Voor hetzelfde geld fiets je hier twee weken in de stromende regen. Ik prijs mezelf gelukkig. Even later draai ik de weg op waarover ik zoveel heb gehoord en gelezen. Een smalle gravelweg met steile hellingen. Groen aan weerszijden. Witte bergtoppen in de verte. Het weinige verkeer laat me in stofwolken achter.

In La Junta staan vier fietsers voor een bakker. Een Duits gezelschap. Felix, Fritz, Peter en Sabrina. De dame die ik in Cusco op straat trof. Twee maanden geleden in Peru. Fritz en Peter zijn samen in Mexico begonnen. Sabrina is in Peru aangesloten. Felix is net als ik in Alaska begonnen. Zijn metgezel heeft een ongeluk gehad en kon de reis niet voortzetten. Felix en ik willen samen op de foto. We hebben exact dezelfde fiets en tassen. De oosterburen hebben plannen om wild te kamperen. Ik niet vandaag. We komen elkaar morgen ongetwijfeld weer tegen. In een hostería repareer ik moeizaam de rits van mijn Ortlieb rugzak en de sluiting van een voortas. Ver na middernacht lig ik in bed.

De ketting krijgt de volgende ochtend de nodige aandacht. Het lijkt alsof de ketting niet op spanning blijft. Dat is al sinds Peru. Na een klim is de ketting slap. En na een afdaling staat de ketting weer (te) strak. De spanning is te regelen door middel van het excentrisch bottom bracket. Twee schroeven klemmen het geheel. Vast is vast is mij verteld. Alles opnieuw schoongemaakt en toch maar iets vaster gedraaid. Met verse empanadas van de panadería verlaat ik het dorpje. In Puyuhuapi tref ik mijn Duitse vrienden weer. Op de fiets sluit je snel vriendschap. We besluiten om samen ons kamp op te slaan bij de gletsjer Ventisquero Colgante. Met nog meer empanadas (hele lekkere met appel) fietsen we samen verder.

Eenmaal op de plaats van bestemming beginnen we gelijk aan de hike naar het uitzichtpunt. Twee uur wandelen. Als toetje na een dag fietsen. Op de weg terug glijd ik uit en val plat met mijn rug op de rotsen. De plaatjes onder mijn Shimano fiets- en wandelschoenen zorgen soms voor onvoldoende grip. Niets aan de hand gelukkig. We koken en douchen in het donker. Geen licht in het kleine toiletgebouw. Fritz, Peter en Sabrina kennen elkaar van Leipzig. Felix komt net als Sabrina uit Berlijn. Hij is boomklimmer van beroep. Daarvan ken ik er nu twee. Voor mijn reis had ik er nog nooit van gehoord.

Fritz is de meest avontuurlijke van het stel. Gestart met fietsen in Azië na het afronden van zijn studie. Wilde vervolgens over het Baikalmeer fietsen. In Siberië. In de winter. Maar hij was te vroeg. Het meer was nog niet volledig dichtgevroren. Zijn ogen wel toen hij bij 40 graden onder nul buiten sliep. In Argentinië heeft hij de Aconcagua bedwongen. In zijn eentje. Buiten het seizoen. Met 6962 meter de hoogste berg van Zuid Amerika. Zijn vingers waren enigszins bevroren. Ze zijn nu nog een beetje zwart. Op zijn fiets mist hij de eerste vijf versnellingen van zijn Rohloff naaf. Neemt daarmee gewoon de binnenbochten in een klim van meer dan vijftien procent. Onvermoeibaar. Sterke mentaliteit. Weloverwogen. Niet onbezonnen naar mijn idee. Boven alles zorgt hij voor leven in de brouwerij.

De volgende dag is het dertig graden in de schaduw. Mijn warmste dag tot nu toe in Patagonië. Samen fietsen gaat minder snel. Hoe groter de groep, hoe langzamer het gaat. Ik heb een lekke band. Tweehonderd meter voor het asfalt. Sabrina is een schoen verloren en moet terug. Gezellig is het wel. Peter en Fritz praten al sinds het ontbijt over ijs. In Amengual houden we aan het eind van de middag pauze voor een minimarkt. Met ijs en draadloos internet. Ons geluk kan niet op. Sabrina is moe. In een weiland 16 kilometer verderop slaan we ons kamp op. Langs een rivier. We eten rond een kampvuur en slapen onder de sterren.

Om vijf uur in de ochtend begint het licht te worden. Mijn slaapzak is zeiknat van de dauw. Om negen uur zit ik op de fiets. Het moment dat de rest net ontwaakt. Ik kan niet teveel afwijken van mijn planning. Die ruimte heb ik niet. Maar ik heb zo’n idee dat ik ze snel weer zie. Mijn volgende bestemming is Coihaique. Hier neem ik een rustdag. Soms is het even zoeken naar een geschikt onderkomen. Ik wil natuurlijk waar voor mijn geld. Het liefst een privé kamer met wifi. Niet al te duur. Een veilige plek voor mijn fiets. Ontbijt. Voor het eerst beland ik in een hostal waar extra geld wordt gevraagd voor het gebruik van fornuis (2000 CLP), magnetron (1000 CLP) en het vullen van een fles water (200 CLP). Naast het bed ligt een briefje waarin wordt gevraagd om een fooi.

Op mijn rustdag in Coihaique buig ik me over de route. Na Villa O’Higgins stopt de weg. Voor auto’s tenminste. Die moeten driehonderd kilometer terug naar het noorden voor de eerste afslag. Fietsers en wandelaars kunnen verder met een ferry. Daarna volgt een stuk van twintig kilometer waarvan een deel alleen te voet begaanbaar is. Klinkt als een avontuur dat ik niet wil missen. Ik informeer naar de vaartijden. De eerste ferry gaat een keer per week op zaterdag. Dat zou betekenen dat ik drie à vier dagen moet wachten. Komt niet zo goed uit. Het alternatief is een minder interessant stuk Ruta 40 door Argentinië. Dat trekt me niet. Daarom download ik de gps tracks van het stukje niemandsland tussen Villa O’Higgins in Chili en El Chalten in Argentinië.

Mijn was is ondertussen klaar. En droog. Ik had alleen gevraagd om te wassen. Omdat drogen extra kostte. Hoef niet extra te betalen. Felix is ook in mijn hostal aangekomen. Samen met Fritz, Peter en Sabrina eten we in het park.

Met zware benen stap ik weer op de fiets. Rust na veertig kilometer in een bushokje. Het zijn soms heuse bergetappes hier. Een klim naar duizend meter hoogte. Ik maak veel foto’s. Er ligt sneeuw aan de kant van de weg. In Cerro Castillo tref ik Peter en Sabrina weer. Met twee Belgen. Zij gaan wildkamperen. Fritz is in Coihaique achtergebleven om een aantal dingen te regelen. Hij komt er later weer bij. Ik zoek een plekje op een camping met een fantastisch uitzicht. Na het eten werk ik mijn dagboek bij. Buiten onder de sterrenhemel. Met het Southern Cross.

Het asfalt houdt weer op. Geen wolkje aan de lucht. Hoe anders kan het hier zijn. Ik voel me bevoorrecht. De weg volgt een rivier. De westenwind blaast door het dal. Vol in mijn gezicht. Ik rijd Peter en Sabrina weer achterop. We lunchen met de Belgen. En weer verder. Zoals gezegd gaat samen fietsen langzamer. Sabrina moet plassen. Peter gaat zijn bidon vullen. De Belgen willen zich insmeren. De zuiderburen fietsen sowieso minder snel. Op een gegeven moment zie ik niemand meer als ik omkijk. De weg buigt naar het zuiden. Heb de wind vol in de rug. In Puerto Rio Tranquilo geniet ik een uitgebreid in diner in mijn hostal.

Wat eet ik zoal op een dag? Melk met cruesli, noodles, twee Snickers, vier bollen met jam, anderhalve liter cola, drie liter water, een banaan, een appel, nog meer Snickers, een rol koekjes, een reep chocola met hazelnoten, anderhalve liter appelsap, een diner van biefstuk met rijst, gebakken ei en salade, een biertje, thee. Een aanzienlijk deel van mijn budget gaat op aan eten.

Johan uit Zuid Afrika is gestart in Caracas. Hij vertelt dat er een Nederlander met de naam Lars voor mij fietst. Vandaag veel klimmen. Bijna tweeduizend meter. De weg is hier slechter. Heb meer wind tegen. Ik stop vaker voor een Snickers of koekjes. Na 88 kilometer met gemene klimmetjes van meer dan vijftien procent en los gravel is het zeven uur. Nog achttien kilometer tot Cochrane. Daar ben ik een uur later. Ik beland in de hostal van mijn keus uit de Lonely Planet. Met een norse eigenaar . De volgende ochtend ben ik nors. Een lekke band. En plakken lukt niet goed. Ik besluit spontaan tot een rustdag. Verhuis wel naar een andere hostal. Met betaald draadloos internet. Een noodzakelijk kwaad als ik nog een blog wil publiceren.

De temperatuur zakt, het wordt frisser. Na ruim dertig kilometer haal ik Lars in. Een grote vrolijke gozer uit de omgeving van Rotterdam. Kale kop, klein brilletje en strohoed. Een levensgenieter pur sang. Is gestart met fietsen in Santiago. Wil na de Carretera Austral terug naar het noorden. Naar Peru. Voor een herkansing. Op een eerdere trip is dit niet gelukt. Ik geef hem mijn kaart van Peru. We lunchen en kletsen in een bushokje. Daarna gaan we weer onze eigen weg. Een weg met los gravel en wasbord. En regen. Mijn eerste regendag op de fiets na bijna vijf maanden in Zuid Amerika. De regenkleding komt uit de tas. Evenals mijn Goretex handschoenen. Het kwik daalt naar vier graden. Natte kou. Google Maps beloofde 1000 hoogtemeters voor vandaag. Op mijn teller staan er al ruim 1500. Na 122 kilometer ben ik in Yungay.

In Yungay is een oversteek met de boot. Deze ligt aan de wal en gaat morgen rond het middaguur weer. Er is een cafetaria bij het water. Die is dicht. Verder weinig te bekennen. Op een militaire post na. Daar word ik hartelijk ontvangen. Ik mag mijn spullen drogen bij de houtkachel. Ik krijg mijn eigen kamer. Mag douchen. Eet mee. Kijk met beide heren naar de Simpsons. Wat een heerlijkheid na zo’n dag. Ik moet aan Lars denken. Waar zal hij zijn? Ik vermoed in zijn tent. Onderweg heb ik verder weinig gezien. De warmte van de kachel maakt me rozig. Mijn ogen vallen dicht. Ik slaap als een roos.

Bij vertrek stoppen de mannen in uniform me koeken, cornflakes en appels toe. Op de boot ontmoet ik twee Spanjaarden op de fiets. Alberto en Guillo. Vlak voor vertrek stapt Lars ook nog op. Hij heeft gekampeerd. En heeft alles nat in moeten pakken. Het regent nog steeds. Op de boot schiet het me in de rug. Ben blijkbaar gevoelig voor nattigheid en kou. Na de boot is het nog honderd kilometer naar Villa O’Higgins. Ik fiets het eerste stuk samen op met Lars. In de klim gaan we ons eigen tempo. In dertig kilometer gaat het omhoog naar duizend meter. Met vier graden is het wederom koud. Uitgebreid lunchen is er niet bij. De weg volgt de rivier naar Lago Cisnes. Het landschap verandert. Lage begroeiing, minder dicht, drassig, bijna moerasachtig, veel mos. En er is weinig vlak. Besneeuwde bergen met gletsjers. En dat op deze betrekkelijk geringe hoogte.

Na zeventig kilometer tref ik de Spanjaarden in een hut langs de weg. De kachel en warme thee zijn aanlokkelijk. Het is zeven uur. Ik besluit om de laatste dertig kilometer naar Villa O’Higgins vandaag nog af te leggen. Mijn rug wil een comfortabel bed. Die vind ik in hostel El Mosco. Ik deel de dorm met twee fietsers uit Australië. De boot gaat over twee dagen. Voldoende tijd om tickets te kopen en een paar blogs te schrijven. Na de eerste nacht zet ik mijn tent op. De dame van de hostel is erg aardig. Ik betaal de prijs van een kampeerplek voor mijn nacht in de dorm.

Langzaam druppelen alle fietsers binnen in de hostel. Waaronder Lars en mijn Duitse vrienden. Op zaterdag leggen we met elf fietsers de zeven kilometer naar de boot af. Voor de ruim twee uur durende overtocht over Lago O’Higgins. Aan de overzijde halen we een exit stamp bij de Chileense douane. Een steile weg van vijftien kilometer met losse grove stenen volgt. Al fietsend en lopend bereiken Lars, Sabrina en ik de grens met Argentinië. Vanaf daar gaat het acht kilometer verder over een single track door het bos. De schoenen gaan uit. Voor grotere en kleinere waterstromen. We tillen onze fietsen gezamenlijk over boomstammen. En genieten van elke meter. Een klein avontuur is het. De gps is niet nodig. In het bos zien we een Japanner lopen met een grote koffer. Hij was te paard met een gids. Zijn begeleider heeft hem achter gelaten. Gezien zijn barse manier van communiceren hebben we een idee waarom.

Op het laatste stuk lopen we telkens vast met onze fietstassen in smalle diepe geulen. De tweede boot gaat om zes uur. We zijn op tijd. Maar nog niet compleet. Fritz en Peter hebben extra betaald voor de eerste boot. Voor een bezoek aan een gletsjer. Daarom wachten we. Morgen rond het middaguur gaat de volgende boot. Van de Argentijnse douane mogen we onze tent opzetten op het grasveld. We maken eten in het boothuis. Met uitzicht op de karakteristieke berg Fitz Roy. Daar gaan we morgen heen. Fritz en Peter arriveren om half tien in het donker.

Periode: 9 t/m 24 november 2012
Foto’s: Chili & Argentinië – Carretera Austral
Route: http://en.wikipedia.org/wiki/Carretera_Austral

Comments

Leave a Reply